naar de bronnen van het koningsdiep
tekst: Bert Looper
Alweer vele jaren geleden werd ik geraakt door een regel in het allereerste gedicht van Ida Gerhardt, in haar allereerste bundel Kosmos uit 1940. Het gedicht beschrijft een lange wandeling door het Vlaamse land: licht over de voorjaarslanden, peppels langs smalle dijken en de zon die de verweerde hoeven kleurt. En dan … opeens die prachtige regel: ‘Het landschap staat in mij geschreven (…)’. Een schitterende zin die heel direct laat zien hoezeer wij landschappen in ons dragen. Land wordt pas landschap als we er een ziel en een betekenis aan toekennen. Land wordt een landschap als we onze verbeelding laten spreken en als we belevenissen, herinneringen en denkbeelden aan onze omgeving koppelen. Het is geen wonder dat juist het landschap van onze jeugd ‘in ons geschreven staat’. Aan de vroegste plekken van onze jeugd kleven intense herinneringen. In Gorredijk, waar ik opgroeide, roept elke hoek van elke straat een herinnering op. De plek brengt niet alleen gebeurtenissen naar boven, maar vooral geur, sfeer, geluid, licht. De landschappen die in mij geschreven staan, zijn direct oproepbaar en de herinnering brengt alle zintuigelijke ervaringen van toen weer tot leven. Er wordt wel gezegd dat geuren de belangrijkste ‘triggers to memory’ zijn, maar ik zou aan het landschap een net zo sterke evocatieve kracht willen toekennen. De relatie tussen een mens en ‘zijn’ landschappen is één van de diepste en meest existentiële verbindingen die we in ons leven aangaan.
Het landschap van Gorredijk en omstreken staat in mij geschreven. Op de achterkant van de Kleine schoolatlas der gehele aarde, vijfenveertigste druk 1956, tekende ik mijn land: ons huis in het centrum en daaromheen het ‘gebied nieuwbouw’, het ‘gebied de Miente’ (de naam van het bejaardenhuis van mijn beppe), het ‘gebied kromten’ (de weilanden naar het westen) en het ‘gebied Van Dam’ (de naam van de boer aan de overzijde van de weg). Dit land was met een dikke ballpointlijn omgrensd en daarbuiten was er niets. De ballpointlijn markeerde het eigen territorium toen ik 9 jaar oud was. Het overschrijden van deze grens en het ontdekken van nieuwe gebieden en nieuwe landschappen was voor mij een intensieve ervaring.
Ik kan me nog precies die dagen herinneren waarop landschap, geur en kleur veranderden omdat we een nieuw territorium betraden: de heide van Lippenhuizen, de bossen van Beetsterzwaag, de duinen van Bakkeveen. Natuurlijk was ik daar wel eens eerder geweest, maar toen ik 10 jaar was, kwam ik in de vijfde klas, bij de veelgeroemde meester Sierksma die ons op woensdagmiddagen meenam op fietstochten door de natuur en naar ateliers van kunstenaars in de omgeving. Vele jaargangen Gorredijkster leerlingen hebben de enorm vormende werking van deze didactische aanpak van meester Sierksma mogen ondergaan en zijn hem daar hun hele leven lang dankbaar voor gebleven. De fietstochten gingen naar fysieke plekken rond Gorredijk, maar ze brachten ons in de eerste plaats naar het rijk van de verbeelding. De kunstenaars vertelden over hun inspiratie en hun werk en meester Sierksma vertelde verhalen over het landschap en de geschiedenis.
Het verhaal over het Middeleeuwse Friesland en de rivier de Boarn / Boorne, uitmondend in de Middelzee, sprak zo tot mijn verbeelding dat ik op een woensdagmiddag, geïnspireerd door meester Sierksma, met een paar vriendjes op de fiets stapte met maar één doel: het vinden van de bronnen van de Boorne, of, zoals wij de stroom noemden, het Alddjip. Ik meende de route te weten omdat in de atlas een blauw streepje ergens voorbij Bakkeveen begon. Opgewekt fietsten we via Lippenhuizen en Hemrik in de richting van de bron van die geheimzinnige rivier. Maar ergens voorbij Wijnjeterp moeten we het spoor bijster zijn geraakt en laat op de middag arriveerden we in Siegerswoude. Vragen naar de bron leverde niets op. Aan het begin van de avond wist ik het huis van een oom in Bakkeveen te vinden en hij belde naar Gorredijk om te melden dat ‘de jongens er aan kwamen’. In de schemering waren we terug in Gorredijk.
Van bezorgde ouders en amberalerts was in die tijd nog geen sprake. Ik kan me niet herinneren dat ik me moest verantwoorden of dat er gevraagd werd naar het hoe en waarom van onze omzwerving. Maar sinds die tijd, vanaf mijn tiende jaar, is het Alddjip, het Koningsdiep, een rivier gebleven waaraan intense herinneringen kleven. Later, in mijn middelbare schooltijd, staken wij de rivier tweemaal daags over, op weg van huis naar school in Drachten en vice versa. Op mooie dagen namen we de route over de Lippenhuister heide en hingen we rond bij het bruggetje over de rivier. Op de route langs de grote weg van Lippenhuizen naar Beetsterzwaag markeerde de rivier een ‘afzakpunt’, een plek waar de voorste twee fietsers van de groep zich lieten afzakken en anderen de kop overnamen. Kortom, het Koningsdiep is in mijn leven een ‘lieu de mémoire’, een plaats van herinnering geworden. Maar misschien nog belangrijker is het feit dat het Alddjip altijd een symbool is gebleven voor het avontuur en het onvervulde. Elke keer als ik de rivier passeer, denk ik terug aan de ambitieuze, niet geslaagde missie die wij als tienjarigen hadden om de bron van de rivier te bereiken. Als jongens verlieten wij op die woensdagmiddag ons vertrouwde territorium en begonnen wij aan een expeditie die ten doel had de oorsprong te ontdekken. Maar in werkelijkheid waren we natuurlijk bezig onszelf te ontdekken door ons te onttrekken aan het ouderlijk en schoolmeesterlijk gezag, door een nieuw en onbekend land te betreden. Ik heb het me nog vaak voorgenomen, een zoektocht om de bron te vinden, maar uiteindelijk heb ik er altijd van afgezien.
Het Alddjip is een element in het Friese landschap, maar voor mij persoonlijk is het vooral een drager van wezenlijke ervaringen. Het Koningsdiep staat in mij geschreven. Is de rivier ook de drager van collectieve ervaringen geworden? Is het Alddjip verankerd in het Friese collectieve geheugen? Als ik zo om me heen vraag, is het opmerkelijk hoe weinig mensen weten van deze rivier. ‘De Boarn is een rivier met een zeer rijke en oude geschiedenis’, schrijft Karel Gildemacher in zijn standaardwerk Het Friese water (2015). Een snel en goed inzicht in de geschiedenis en het stroomgebied van de rivier is ook te verkrijgen via de recentelijk verschenen Nieuwe encyclopedie van Fryslân (2016). Intrigerend zijn door de tijden heen de namen voor de verschillenden ‘panden’, trajecten, van de rivier die we in zijn geheel aanduiden als Boarn: Swarte Ryth, Olde Ryth, Koningsdiep, Herendiep, Ouddiep (Alddjip), Kromme Knilles (Akkrum – Oude Schouw), Mûzel. Tot het stroomgebied behoren ook de in de rivier uitmondende zijriviertjes als Wispel, Lits en Dracht. Om het belang van de rivier goed te kunnen begrijpen, moeten we ons verplaatsen in de geografische gesteldheid van onze provincie in de Middeleeuwen. De Friese landen, van Vlie tot Wezer, bestonden als het ware uit een groot aantal eilanden, van elkaar gescheiden door rivieren en zeearmen: Westergo, Oostergo, Hunsingo, Filvelgo, Eemsgo enz. De Boarn vormde de natuurlijke scheiding tussen de ‘eilanden’ Westergo en Oostergo en was daardoor één van de meest bepalende geografische factoren in de regio. Men zou verwachten dat een dergelijke, belangrijke rivier zich vaster en uitgesprokener in het collectieve geheugen van Fryslân zou hebben genesteld, maar daar is geen sprake van. Het is opvallend dat rivieren nauwelijks een rol spelen in de ‘Friesheid’ van het landschap. Lauwers, Linde (Lende), Boarn of Tjonger (Kuunder) behoren niet tot onze landschappelijke canon. De Tjonger spreekt wellicht nog het meest tot de verbeelding als grensrivier tussen het Fries en het Stellingwerfs.
Ook in de ‘vermarkting’ van Fryslân zijn onze rivieren nagenoeg onzichtbaar. De Friese canon bestaat uit de elf steden, uit de dorpen, uit de weilanden en het Wad. Ook als we kijken naar de wijze waarop Fryslân wordt verbeeld in het kader van Culturele Hoofdstad 2018, dan is de nadruk op deze landschappelijke elementen opvallend. Natuurlijk hebben PR en marketing oneliners en stereotypen nodig, maar er is ontegenzeggelijk sprake van een verarming van de Friese landschappelijke identiteit als we de Friese Wouden in het algemeen en de fascinerende rol van de Friese rivieren veronachtzamen. Het ontbreken van de rivieren in de Friese landschapscanon is natuurlijk niet alleen het gevolg van een eenzijdige toeristische PR en marketing. Wanneer we de Friese literatuur nader bestuderen, dan valt op dat de rivier er nagenoeg geen rol in speelt. Men zou toch enige ‘rivierpoëzie’ mogen verwachten, maar dat is niet het geval. De Friese dichters bezingen de weidsheid van het land, de stilte en geheimzinnigheid van de meren en de oneindigheid van het Wad. Er zijn ook dichters die de intimiteit van de Wouden beschrijven, maar – nogmaals – de rivier is een ontbrekend element in onze literatuur. Zou daar een diepere oorzaak voor te vinden zijn dan alleen de constatering dat de Friese rivieren niet traag door oneindig laagland stromen en zich evenmin klaterend van steile heuvels naar beneden storten? Zouden we durven stellen dat de rivier in Fryslân überhaupt niet tot de verbeelding spreekt?
Al in Ovidius’ Metamorphosen is de rivier het zinnebeeld van de ‘fluxus temporis’, het stromen van de tijd. De rivier is een metaforisch systeem voor vergankelijkheid en verandering. ‘Een mens kan niet tweemaal in dezelfde rivier staan’ is een bekend gezegde. Maar blijkbaar spreekt dit thema in Fryslân niet sterk tot de verbeelding en heeft de cultus van het landschap zich ontwikkeld rond elementen als weidsheid en horizon en, als het om water gaat, de stilte van de meren. Talloos zijn de volksverhalen en legenden rond geheimzinnige meren, poelen en plassen. De Friese landschapscultus gaat over stille wateren en diepe gronden, over dingen die er altijd zijn, ook al is het in het verborgene. De rivier, als metafoor van stroom, circulatie, dynamiek, verandering en verdwijnen sluit niet bij dit systeem aan. Achter de Friese rivieren is nooit een cultureel patroon ontstaan. Alle reden om het Friese landschap en de Friese identiteit alsnog te verrijken, letterlijk en figuurlijk, met de rivier. Wanneer we zoeken naar de bronnen van onze rivieren, zoeken we ook naar onszelf, zoals die tienjarige jongetjes uit Gorredijk dat een halve eeuw geleden deden.