de namen van het alddjip en de boarn, deel 1
TEKST: Karel Gildemacher.
GILDEMACHER is auteur van ‘Het Friese Water’ (Bornmeer 2015) en ‘Waternamen in Friesland’ (Fryske Akademy 1993)
Taal
Mensen communiceren dagelijks met elkaar. Iedereen vindt dat heel gewoon en staat er nauwelijks nog bij stil. Maar eens moet de oermens dat leggen en onderhouden van contacten langzaam en langs vele wegen hebben ontwikkeld. Taal is daarbij op den duur het belangrijkste instrument geworden. Niemand weet precies hoe die taalontwikkeling is gegaan. Sommigen beweren dat taal uit zingen (zoals de vogels) is ontwikkeld, anderen gaan uit van huilen, kreunen en lachen en er zijn mensen die menen dat het vanwege goed samenwerken noodzakelijk werd. Het is ook opmerkelijk dat er zoveel talen zijn ontstaan. Weliswaar sterft er momenteel bijna tweewekelijks een taal uit, maar bestaande talen veranderen soms zo sterk, dat de nieuwe variatie bijna een nieuwe taal is, waar vooral ouderen dan moeite mee hebben.
Dat grote aantal talen ontstond doordat groepen mensen die in verschillende gebieden leefden onderling weinig contact met elkaar hadden. Nu nagenoeg iedereen is betrokken bij alles wat er in de wereld gebeurt, is er juist veel onderling contact en dat heeft ertoe geleid dat Engels de belangrijkste taal is geworden. Je komt er verder mee, zegt men dan. Friezen kregen te horen: als je hogerop wil, dan moet je het Nederlands goed beheersen. Zo ging veel Fries verloren.
Behalve om met elkaar te communiceren, zoals een praatje over het weer, gebruiken we taal om naar dingen in de omgeving te verwijzen. Wanneer je bij een water staat en je kunt aanwijzen wat je bedoelt, dan volstaat de zin: “Dat water daar is schoon en helder”. Natuurlijk kun je zo’n water ook omschrijven: “Dat langzaam stromende water daar is een rivier”. En als je het woordje “daar” in die zin weg laat, kun je met zo’n omschrijving ook midden in een bos uitleggen wat mensen met het woord rivier bedoelen. Natuurlijk zijn er dan nog tal van aanvullende vragen te stellen. Is alles wat stroomt een rivier? En slingert een rivier altijd?
Namen
Mensen dragen namen, gemakkelijk als je iemand wil roepen, en ze zijn vaak zeer aan hun naam gehecht. Je naam wordt een stukje van jezelf. Misschien zijn namen het eerst voor mensen ontwikkeld. Er zijn zoveel mensen dat het onmogelijk is om iemand met woorden zo te omschrijven dat iedereen weet wie er bedoeld wordt. Natuurlijk kun je beginnen met omschrijven, maar je loopt al snel vast, vooral omdat de beschreven eigenschappen van die persoon soms kloppen, maar soms ook niet. Daarom hebben we stukjes taal die we voor het gemak namen noemen.
Mensen gebruiken niet alleen namen voor medeburgers, maar kiezen ook namen, hele speciale stukjes taal, waarmee juist dat riviertje, dat meertje, die sloot wordt bedoeld. Het gebruik van namen is reuze handig omdat met zo’n naam juist dat ene specifieke watertje of weggetje wordt bedoeld. Met een naam verwijs je naar iets in de werkelijkheid. En vaak wordt een stuk land, een weg of een watergang bijna een individu.
De Boarn
In de loop van de tijd zijn namen ook opgeschreven, in lijsten, in aktes en beschrijvingen. Wanneer het om rivieren ging, zoals De Boarn of om andere elementen in het landschap, waaronder dorpen, dan zette men die namen ook op kaarten. Een naam werd steeds ‘gemaakt’ met de eigen taal. Omdat het Fries echter eeuwenlang niet werd geschreven, noteerde men de namen die naar die prachtige rivier in midden Fryslân verwijzen, in het Nederlands. Nederlands was nu eenmaal de schrijftaal.
Conincx Diepte (1596)
Wie op de Opsterlandse kaart van Schotanus van rond 1700 kijkt, ziet ten noorden van Bakkeveen staan: Konincks Diep. Verder naar het westen staat Koninks Diep en nog verder, onder Lippenhuizen, Konink Diep. Met de spelling van dat ‘koning’ nam men het niet zo nauw. Op de plek waar De Mouwe op de kaart staat, verschijnt plotseling De Boorn. Vlakbij de grens met Utingeradeel heeft de kaartenmaker het nog fraaier gedaan. Er staat hier bij de rivier: Burdo floed, anders de Boorn. Wat is hier aan de hand? Schotanus wist dat de rivier in historische bronnen als Burdo en dergelijke werd aangeduid. Hij vond het belangrijk om die oude Latijnse naamvariant nog eens te noemen, maar zonder de naam van dat moment, De Boorn, dat wilde hij ook niet.
Terug naar het Koningsdiep. Bijna iedereen is nieuwsgierig naar de betekenis van die naam. Een naam heeft echter geen betekenis. Een stukje taal, een woord heeft betekenis, een naam wordt alleen gebruikt om naar iets te verwijzen. Met dat Koningsdiep werd die rivier bedoeld, meer niet. Iemand die Bakker heet kan immers best een slager zijn. Toen de mensen de naam invoerden, had die naam wel een achtergrond. Men had een motief om juist dat stukje taal te kiezen en dat als naam te gaan gebruiken. Na verloop van tijd wist vaak niemand meer wat indertijd het motief voor die keuze was geweest, maar dat hinderde niet, want de betekenis deed er niet toe.
Djip
Het bijvoeglijk naamwoord ‘diep’ heeft een bekende betekenis, al verschillen de meningen vaak wel over wat nou eigenlijk diep is. Is een sloot die een meter diep is diep? Zowel in het Fries, het Nederlands als het Duits is ‘diep’ ook een zelfstandig naamwoord geworden. Men gebruikte ‘diep’ in Fryslân bijna uitsluitend voor natuurlijk water, beekjes, riviertjes e.d. Ook wanneer zo’n natuurlijk water werd vergraven tot een sloot of kanaal, bleef het nog vaak ‘een diep’. Toen de Boarn ten oosten van Aldeboarn, vooral ten behoeve van turfafvoer beter bevaarbaar moest worden gemaakt, werden de nieuw gegraven pandenvan de rivier tot ‘een diep’. En met dat woord diep maakten ze namen.
Op de kaart van Schotanus vind je daar: ’t Oud Diept vol Ried, Bruyn of Oud Diept gedemt en it Nij diept. Dat laatste pand, nu het Nijdjip, bestaat nog en gaat bij Ulesprong over in de Nije Feart (zie foto). Het bekendste ‘diep’ is natuurlijk het Alddjip. Namen van ‘diep’ met ‘oud’ komen vanaf de 18de eeuw voor, al is de oudste, Old Diept, al uit 1642. De naamvarianten met ‘koning’ vind je sindsdien veel minder. Lang werden beide namen gebruikt. Eekhoff gebruikt op zijn 19de-eeuwse kaart van Opsterland alleen nog Het Koningsdiep.
‘Oud’ is eigenlijk net zo’n relatief begrip als ‘diep’. In dit geval lijkt het er op dat men dat deel van de rivier, waarbij nergens nog sprake was van graverij maar ‘Oud’ genoemd heeft, juist omdat op dat moment overal nieuwe, voor de scheepvaart en de waterafvoer verbeterde panden werden gegraven. Die werden natuurlijk ‘nieuw’ genoemd. Op de modernste topografische kaarten staan dan ook de namen Nijdjip en Nije Feart, terwijl de oude rivier, verder naar het oosten eenduidig Alddjip heet. Behalve de naam Koningsdiep (in diverse varianten), wordt de rivier in de 16de eeuw ook gewoon diep of – ouderwetser gespeld – dyep genoemd. Als de pastoors van Lippenhuizen en Hemrik hun land beschrijven in 1543 hebben ze het ook over heerdyep. Daarmee bedoelen ze hetzelfde water.
Openbare Waterweg
Met aanduidingen (woorden) als heerdiep en koningsdiep werd bijna hetzelfde bedoeld. De betekenis van het eerste stukje ‘heer’ is ‘publiek toegankelijk, voor iedereen bedoeld’. In de tijd dat veel waterwegen (en ook veel landwegen) particulier eigendom waren, bestonden er ook heerwegen. Dat waren de belangrijke grote wegen die werden beheerd door het grietenijbestuur of het bestuur van de provincie. De koning vormde het oppergezag (zeker in de Middeleeuwen). In naam van de koning werd dan ook regelmatig een schouw gehouden om te zien hoe alles erbij lag en of het water nog wel aan de bedoelde functies voldeed. Een boer kon dus niet zo maar een dam in het water leggen om naar de overkant te komen en een visser mocht met zijn netten de scheepvaart niet belemmeren. Een koningsdiep was dus een zeer belangrijk water.
Ongetwijfeld zijn er talloze beheerproblemen geweest. Van een meanderend riviertje dat in de herfst en winter veel meer water heeft dan in de zomer, weet men vaak ook niet precies waar de hoofdbedding loopt. Hoe de regelgeving met betrekking tot het Alddjip er uit heeft gezien weten we niet. In de tijd van de grote veengraverijen zijn er wel verscheidene processen gevoerd over de waterafvoer. Bijna net zo vaak was er ook gedoe om het water te keren. De dijken in Opsterland, aan de noordkant van de rivier, zoals de Geawei, de Leppedijk en de Walle waren bedoeld om het teveel aan (zuur veen)water te keren.
Het vergraven van het veen om turf te maken (en af te voeren) heeft een grote invloed op de rivier gehad. De oorsprong van de rivier zal in de hoge venen op de grens van Fryslân en Groningen hebben gelegen. Vanuit twee kanten is dat veengebied aangetast. Vanuit het noordwesten, vooral met het vorderen van de Drachtster Feart in oostelijke richting (het Friese aandeel) en vanuit Groningen werd zoveel mogelijk turf gegraven. Beide ‘volksstammen’ wilden een zo groot mogelijk deel van het gebied ontginnen. De herontginning tot landbouwgrond, na het vertrek van de turfgravers, heeft mogelijk ook de laatste sporen van de rivier uitgewist.
Ryth
Oude namen die zijn overgeleverd van een stukje van de rivier in het brongebied, vertellen ons wel iets over het verre verleden. Het zijn namen met het woord ‘ryth’. Daarmee wordt een licht kronkelend water bedoeld, vooral in veengebieden (maar ook wel op het wad en in streken waar de zee vroeger vrij spel had). We vinden een zwarte rijth en een olde ryth (1558). Het woord ‘zwart’ zegt iets over de kleur, want veenwater is donker en dat ‘oude’ geeft aan dat er ook een jongere bedding moet zijn geweest van die ryth. Oudere namen voor de rivier, van De Mouwe tot aan de Noordzee, de beroemde Boarn en de namen voor de verscheidene zijriviertjes van het Alddjip geven ook een bijzonder beeld van de rivier. Vooral over de manier waarop de mensen tegen het water aankeken en welke functie het water voor hen had. Daarover meer in de tweede aflevering.