de namen van het alddjip en de boarn , deel 2

TEKST: KAREL F. GILDEMACHER

Alddjip of Boarn
Alle Friese rivieren lopen vanuit het oosten in westelijke richting. Dat is al het geval sinds de op een na laatste ijstijd. Lende en Tsjonger stromen nog steeds zo, maar met het Alddjip of de Boarn zit het anders. Tijdens de laatste ijstijd – toen er hier geen ijs was, maar het wel heel koud was – stoof de oude bedding zo ongeveer ten zuiden van (het latere) Beets dicht. De rivier vond tenslotte een nieuwe bedding, in noordelijke richting. Er wordt wel verondersteld dat de Tsjûkemar mede is ontstaan in die oude, verzande bedding van het Alddjip. In het oostelijke deel, vanaf Beets, zal men het stroompje als een “beek” hebben beschouwd. De naam Beets (sinds de 14de eeuw) is daarvan een bewijs.  De nieuwe bedding, westelijk van dat oude dorp kreeg later, veel later, de naam Alddjip en verder stroomopwaarts de Boarn.

Border, “grens”
Al vroeg na het einde van de laatste ijstijd zijn er mensen in Fryslân geweest. Vondsten uit de steentijd maken dat duidelijk. Die mensen waren hier tijdelijk. Permanente bewoning is pas zo’n tweeduizend jaar. Het klimaat werd vanaf ongeveer tienduizend jaar geleden gunstiger. Er waren enorme pakketten veen ontstaan en vanuit de kleigebieden trokken bewoners geleidelijk via riviertjes het moeilijk toegankelijke gebied binnen. Mensen zullen ook toen het water in hun omgeving (maar natuurlijk veel meer) met een naam hebben benoemd.

Veel wateren kregen een naam die verband hield met een bepaalde eigenschap. Een “djip” zal men wel diep hebben gevonden. Behalve eigenschappen van het water zelf, kon ook de functie in een naam worden verwerkt. Een “feart” heet zo omdat erop varen de belangrijkste functie van dat water was. Een “sleat” had oorspronkelijk als belangrijkste functie dat je er een stuk van een ander perceel mee kon afsluiten. Met de naam “Boarn” waren sommigen vroeger snel klaar: “borne” is “bron” en naar dat opborrelende water is de rivier genoemd. Zelfs de plek van de bron – in de kerk van Aldeboarn – was bekend, vertelde men, en ook waren er verhalen die deze verklaring “bewezen”. Ten onrechte werd er geloof aan gehecht.
De naam Boarn hangt samen met de functie van de rivier, het was een grenswater tussen de twee belangrijkste delen van de provincie: Westergo en Oostergo. In het eerste millennium onderscheidde men twee grote eilanden in Fryslân, het meest westelijke was Uuistrachia, later bekend als Westergo en het oostelijke Austrachia, Oostergo.  Helemaal in het zuiden, langs de rivier die Flevo of Fli werd genoemd en verder in Zuidwest Fryslân, lag Sudergo. Dit gebied is grotendeels verdwenen met het ontstaan van de Zuiderzee tegen het einde van het eerste millennium. Het later bekende Zevenwouden (sinds de 16de eeuw) werd het derde zogenaamde kwartier van het “nederland” Friesland, maar omvatte een ander gebied – waaronder de Friese Zuidoosthoek – dan het oude Sudergo.

De Boarn is de oudste Friese waternaam. We danken de vermelding aan de Franken, die hun belangrijke historische gebeurtenissen hebben vastgelegd. Karel Martel, die zijn rijk wilde uitbreiden, had in de achtste eeuw moeite met de Arabieren – die hij in 732 bij Poitiers versloeg en terugjoeg over de Pyreneeën – en met de Friezen. Die werden in 734 verslagen, “super Bordine fluvio”: aan de rivier de Boarn. Vaak wordt dan ook gezegd dat Bordine “dus” de oorspronkelijke naam is, maar dat is onjuist. De Frankische klerk heeft in zijn in het Latijn geschreven kroniek een ‘verlatijnste’ variant van de naam gebakken. De monnik die enkele tientallen jaren later een kampeerplaats van Bonifatius aanhaalde, schrijft: “ripam fluminis quod dicitur Bordne”. Dat was dus aan de oever van de rivier die Boarn wordt genoemd. Die naam was gekozen omdat de rivier de grens, de “border” (in het Engels) was. Een border is ook een perk langs de rand van de tuin en een boord is het einde van je trui. Passend bij het Friese waternamenpatroon vind je zeker vanaf de 14de eeuw naamvarianten waar “ee” aan de oude naam is toegevoegd.

Het is heel normaal dat een water verschillende namen heeft of dat delen (de zogenaamde panden) van het water anders worden benoemd, maar het bepalen van de grenzen van die panden is vaak ingewikkeld. Het is lastig te bepalen waar het Alddjip eindigt en de Boarn begint. Het zou onlogisch zijn dat de rivier bij Aldeboarn niet Boarn zou heten. Wat betreft Easterboarn ligt het al lastiger, want die nederzetting kan immers heel goed als de oostelijke buurschap van het moederdorp worden beschouwd. Goed te verdedigen is de stelling dat de naam Boarn eindigt op de plek waar de rivier niet meer de grens tussen Oostergo en Westergo vormt. Praktisch gezien gaat het dan om de streek net oostelijk van Akkrum/Nes. Op historische kaarten vind je de naam de Boarn trouwens soms nog wel tot nabij Beetsterzwaag, maar dat is “historisering”. Bij de oudste naamsvermeldingen gaat het om de rivier die tussen de twee grote klei-eilanden stroomde. De beroemde slag aan de Boarn zal dan ook ergens tussen Raerd en Stiens hebben plaatsgevonden.

Mûzel
Grote veranderingen in de 12de eeuw maakten dat de Boarn, die vanaf de Raerder Fûke uitgegroeid was tot Middelzee, in hoog tempo dichtslibde. Het water uit het oosten kon niet meer richting Waddenzee afstromen. Om te voorkomen dat het midden van de provincie een meer werd, groef men vanaf het klooster bij Ealsum een kanaal, de Wjittering, naar het zuidwesten. Via de Snitser Mar kon het water dan tenslotte een weg vinden naar de Zuiderzee. De (oude) Boarn werd afgedamd vlak ten noorden van Jirnsum (dat deel van het dorp heette trouwens ook wel Bornsterburen). In die dam kwam een sluis voor de scheepvaart richting Grou. Als klein stroompje liep de rivier verder naar Raerd. Dat nog altijd goed zichtbare pand heet Mûzel (naam bekend sinds 1512). Men heeft wel eens gemeend dat het riviertje net zo heette als de Duitse Moezel en men schreef soms wel eens Mosella (Kleine Maas), maar de naam is een afleiding van een woord verwant aan “mos”: laag, moerassig land. In de naam Musselkanaal zit hetzelfde woord. 
Het pand van de rivier tussen Akkrum en het huidige Prinses Margrietkanaal heet “Kromme Knilles”. Het is een oorspronkelijke volksnaam die zal zijn gegeven omdat dit pand van de rivier de meeste en ook de scherpste bochten telt. Net zo’n soort naam heeft het pand van de Boarn langs Jirnsum. Dit “Rak fan Ungemak” zal voor schippers lastig te bevaren zijn geweest.

Muwediep
De Boarn kreeg er stroomafwaarts steeds meer water bij. Tal van kleinere en grotere beekjes en zijrivieren liepen er in uit. Soms worden die als “Ee” aangehaald. Het terugvinden ervan is moeilijk vanwege de veengraverijen en de er op volgende ontginningen. Van de Alde Ie (naam bekend sinds 1592) die vanuit Kortezwaag richting de Boarn meanderde zijn nog wel sporen te vinden. Dit “diep” was een belangrijk water, niet alleen voor waterafvoer, maar ook voor turftransport.
De plek waar dit diep in de Boarn uitkwam, staat in de 19de eeuw bekend als het Moerdiep. Die naam lijkt, en leek ook destijds, logisch want “moer” heeft te maken met veen. In de 18e en 17e eeuw noemde men het echter Moediep. En dat is de oorspronkelijke naam volgens een vermelding uit 1543: Muwe diep. Dat “muwe” is ontstaan uit “muthe” en dat is mond, monding (zoals in Muiden en IJmuiden). Als je het woordje “oude” vergelijkt met “ouwe”, dan zie je dat zo’n aanpassing van Moediep naar Moerdiep voor de hand ligt. De naam laat een spoor zien van het Friese taalverleden, want het oude woord voor monding gebruiken we niet meer.

Wispel
De grootste zijrivier in Opsterland was de Wispel. De nederzetting Terwispel betekent “aan de wispel”.  Op grond van die plaatsnaam – Wispolia in een Latijnse variant uit 1315 – is duidelijk dat het water al in de 14de eeuw zo heette. De waternaam zelf vinden we pas in de 17de eeuw. Een breed deel heette later Wide Wispel en een smaller deel, naar de overgang met de Boarn, was de Wispelhals.
Men heeft wel gemeend dat de naam verband houdt met “kwispelen”, wat een hond doet met zijn staart. Je zou dat terugzien in de talrijke meanders. Het lijkt echter veel waarschijnlijker dat de naam samenhangt met Engels “to whisper”, Nederlands “lispelen”, ouder Nederlands “wispelen”. Het motief om de rivier zo te benoemen zal in het zacht stromende, licht ruisende van het water hebben gelegen. Je vindt dat motief ook bij de namen de Lauwers en de Lende.
Ie, Dracht, Luts, nog veel meer zijrivieren

Bij rivieren die door laag gelegen land stromen zie je dat veel kleine wateren zich aansluiten bij een groter water, waardoor je echt van een rivier en zijrivieren kunt spreken. Met de Boarn is dat ook het geval (geweest). Een van de grootste zijrivieren was waarschijnlijk de Ie (met diverse namen), die bij Drachten uit de Noarderdrait en de (Alde) Drait via het Gaaster Djip naar het westen stroomde. Nu eindigt die loop in de Peanster Ie, maar wellicht stroomde deze zijrivier ongeveer langs de Flearbosksleat in de Boarn.

Van de riviertjes die vanuit het zuiden naar het noorden liepen, en nabij Akkrum in de Boarn uitliepen was de Dracht (naam bekend sinds 1542) eens belangrijk. Die begon nabij Oudeschoot en liep dan ongeveer recht naar het noorden, langs Haskerdijken. Op de zandige bodem is later een deel van de oude weg Leeuwarden – Zwolle aangelegd.  En dus ook de weg van de belangrijke winkelstraat in Heerenveen die ernaar genoemd is.  Ook bij Gorredijk kwam (1552) een Dracht voor, maar die werd ook Alde Ie genoemd. Dracht wijst op langzaam stromend water. Dat geldt ook voor Luts, water dat door het landschap “lekt”. Een water met zo’n naam, Leets, Lits, vinden we eind 15de eeuw onder Haskerdijken en dat watertje liep dan langs Lekkerterp (!). Ook bij Terwispel was in de 16de eeuw trouwens een Leyts. Alle zijrivieren hebben hetzelfde karakter. Langzaam kabbelende veenstroompjes. Het past allemaal prachtig in het schitterende beekdallandschap Ald- of Keningsdjip.