bij ûs in de merken
TEKST: PAULA DE JONG, FOTO'S: FAMILIEARCHIEF DE JONG, KAART: BONNEKAART 1927
met dank aan Roel van der Brug, Stichting Historisch Belang Noord-Nederland, Ureterp
Willem en Grietje de Jong streken begin vorige eeuw neer in de Mersken. Ze bouwden er hun eigen boerderij en ontgonnen de heide. Paula de Jong, getrouwd met kleinzoon Willem de Jong, werkt aan een boek over de familiegeschiedenis. Voor Paula en Willem, die hun hele leven op de Mersken hebben geboerd, is dit bijzondere plekje aan het Alddjip vol herinneringen. Een voorproefje.
De mist ligt boven het Alddjip en strekt zich uit over het Merskenlân. Het zicht is misschien 50 meter, maar toch weet je waar je bent. Je loopt langs het kleine landweggetje, met links een boerderij en rechts een klein wâldhûske. Verderop in de weilanden zie je vaag zwartbonte koeien lopen. Als een lang lint kronkelt het Alddjip door het Merskenlân met hier en daar prachtige plekjes, kleine paradyskes.
Wandelde je vroeger op een zondagmiddag langs de Merskenreed dan zag je vriendelijk, maar toch ook een beetje sceptisch kijkende mensen. Ze wisten wie waar woonde en ze wisten maar al te goed hoe het was om hier te leven. In de zomer voor iedereen een paradijs. In de winter afgelegen en heel stil. ‘s Avonds kon het aardedonker zijn. Honderden jaren geleden woonden er al mensen. Telkens stuitten de bewoners van de Mersken op bijzondere vondsten.
Ontginning
Circa een eeuw geleden begonnen onze voorvaderen hier met de ontginning van de heide en het aanleggen van akkers en grasland. Ze hadden vee en verkochten graan, fruit en eieren. Ze kregen kinderen die al jong meehielpen met het zware boerenwerk. Ze woonden in kleine huisjes en zelfs in plaggenhutten of woonwagens. Dat was hun bestaan. Ze wisten niet beter. Maar onder het werk werd ook vaak gezongen en werden er grappen gemaakt. Er werd gelachen, gehuild en geleden. Er zijn uit die tijd veel documenten en foto’s bewaard gebleven. Het geeft ons inzicht in het leven in deze streek. Iedereen die hier is geboren of die hier een stukje land had, voelt zich met dit stukje Fryslân verbonden. Dat geldt ook voor ons, de nakomelingen van Willem en Grietje de Jong. In de Mersken vond ons bijzondere familieverhaal plaats. Een verhaal over verschillende generaties, over ontginning, oorlog, opbouw en over lief en leed. Nog steeds wonen er familieleden van Willem en Grietje de Jong in de Mersken, een bijzonder plekje “Moai sûnder wergea binne de Wâlden, Smûkskaedsjend beamtegrien oeral yn’t roun”.
Willem en Grietje
Willem en Grietje de Jong trouwden in 1917 in Beetsterzwaag. Ze woonden bij Willems ouders in, op de boerderij. Maar al gauw moesten ze op zoek naar een ander onderkomen. Willems broer Hendrik, de oudste van de kinderen, ging ook trouwen en volgens oud gebruik kwam de oudste zoon op de boerderij. Zo kwamen Willem en Grietje terecht in de Mersken (#1 op de kaart, tegenwoordig Mersken 7). Daar kon je voor een geschikte prijs stukken heideland kopen. Willem de Jong heeft zijn boerderij zelf gebouwd en de heide zelf ontgonnen. Dat was het beste wat hij kon doen. Een boerderij huren of kopen, was een garantie voor een faillissement. De huren waren te hoog en de opbrengsten te laag.
Het was typisch voor die tijd dat veel heide werd ontgonnen. Door de introductie van kunstmest werd het heideland steeds minder gebruikt voor het verkrijgen van mest. Voor die tijd werden heideplaggen in zogenaamde potstallen samen met ander strooisel en schapenmest opgepot en zo verwerkt tot mest. Na de komst van kunstmest kon je van de arme heidegronden beter weide en bouwland maken.De ontginning gebeurde voor een groot deel machinaal, met stoomtractie. Maar ook het handwerk ontbrak niet, zoals met kruiwagens en kiepkarren. In ons familieboek beschrijft Jan, de vierde zoon van Willem en Grietje, het volgende: “Op kaarten uit begin 1900 is het gehele gebied ten zuiden van de Buitenweg nog allemaal heide. Vanaf de Molenlaan (toen nog Nieuweweg geheten) tot voorbij het pad van de andere Mersken was het allemaal heide. Alleen een strook hooiland langs het Alddjip was al in percelen gedeeld, met kennelijk individuele eigenaren. De heide is dan nog een groot veld met waterlossingen en meest kromme paden vanaf de Buitenweg. Die paden werden gebruikt door boeren uit Ureterp om naar het land langs het Alddjip te komen. Toen Willem en Grietje in 1922 naar de Mersken gingen, was daar al heel wat heide ontgonnen.”
Jan vertelde dat op de kaart van 1925 alles zo was, zoals hij het gekend heeft. “Behalve het gebied dat later het land van ‘de Vennoot’ (de Van Teyens Fundatie – red.) genoemd werd. Dat was allemaal heide. Zo ongeveer vanaf het Turkenleech tot aan de Buitenweg was het bouwland. Langs de Merskenreed was alles, vanaf ons huis tot voorbij de dobbe van Pieter Postma, heide. Het huis van Barend Nieuwenhuis (#2 op de kaart, tegenwoordig Oerterper Gastenkeamers 7) stond op een klein stukje weiland midden in de heide. Bij de Buitenweg was de heide al veel eerder ontgonnen. Dat stuk heide werd vermoedelijk voor een groot deel officieel ontgonnen, waarbij de grond diep losgemaakt werd en het land goed geëgaliseerd met kiepkarren en kruiwagens en dat soort zaken.”
Bij Willem ging het anders, vertelde Jan: “De heide daar is omgeploegd en er zal wel wat grond naar lagere stukken gegaan zijn, maar niet zo erg veel. Dat was goed te merken wanneer wij later ploegden, want dan werd dikwijls de ondergelegen bruine ijzerhoudende oerlaag aangesneden. De minder geschikte stukken zijn blijven liggen. Dat werd later bos. In de lage stukken stond vaak water. De Dobbe werd dat genoemd. Het was er wat moerasachtig. In de zomer werden die stukken soms gemaaid, het materiaal diende als strooisel.”
Op het perceel tegenover het huis van Oelke Wouda (#3 op de kaart, tegenwoordig Mersken 10, een vakantiehuisje) werden ‘zoden’ gestoken die als brandstof dienden. Deze zoden werden net als bij de turfwinning opgestapeld om te drogen en moesten zo nu en dan worden omgestapeld. Op de kaart van 1925 is dit perceel nog voor een groot deel heide, maar in mijn tijd was het al grotendeels weiland. Alleen aan de kant van het bos was nog een oneffen stuk waar nog wat heide stond. En op deze arme, zure grond stonden Wilde Goudsbloemen, Vleugeltjesbloem en orchideeën.”
Pake Willems ‘Bos’
Naast het stuk weiland – de Foarmersken (#4 op de kaart) ligt iets minder laag dan de Mersken – lag ‘De Bos’ (#5 op de kaart). Het was dichtgegroeide heide, mede dankzij wat jonge aanplant. In de winter werd er in ‘De Bos’ gekapt. Het hout werd gebruikt voor afrasteringpalen. Takkenbossen van de Berk werden gebruikt voor zelfgemaakte bezems. Dat is fijn hout en heel geschikt voor bezems. De takken van de andere bomen werden door de bakkers opgehaald om hun bakovens mee te stoken. Het dikkere hout, te krom, te klein en niet geschikt voor afrasteringspalen werd in korte stukken gezaagd en gebruikt als brandhout. Dat noemden ze ‘talhout’. Het werd op een hoge droge plek gelegd – een bult – om te drogen. Daar komt de naam Akke Mouis Bult vandaan. Dit zogenaamde ‘akkermaalshout’ werd eens in de zeven jaar gekapt. Het was het hout dat om de akker groeide en dat te drogen werd gelegd op een hoge bult. Je kunt deze plek op de oude kaarten van deze omgeving terugvinden. Daar zie je, op de hoogste plek in de Mersken, Akke Mouis Bult staan. Dat is het plek waar wij wonen, op de Mersken 14.
Weelderige plantenwereld
Er is veel veranderd in de tweede helft van de 20e eeuw, vooral door de intensivering van het boerenbedrijf, het gebruik van veel meststoffen en de ruilverkaveling. De nog resterende stukjes ‘woeste grond’ zijn helaas verdwenen en daarmee ook de vertegenwoordigers van voedselarme plantengezelschappen. In de jonge jaren van Jan, de eerste helft van de 20e eeuw, waren daarvan in de omgeving nog resten aanwezig.
De meest voorkomende bomen waren Eik, Berk en Els. Ook stond er nog wel eens een Esp (ratelpopulier) en op de wat lager gelegen plaatsen Essen en Meidoorns. Deze laatste, die flink oud werden, stonden langs de sloten en tussen de weilanden van het Alddjip. Bij de ruilverkaveling zijn er door het gebruik van zwaar materieel nogal wat gesneuveld, al was dat niet toegestaan. Verder stonden er Lijsterbessen, waarvan de jeugd van de jonge lootjes fluitjes maakten.
In die tijd stonden de weilanden nog vol met bloemen zoals de Pinksterbloem, Boterbloem, Zuring en Koekoeksbloem. Langs het Alddjip stonden veel Dotterbloemen en in het Alddjip en deels ook langs de oevers, groeiden Gele Iris, Egelskop, Spirea, Valeriaan, Kattenstaart, Gele Plomp, Pijlkruid en grote plekken met Waterpest. Volgens Jan had Eise Diepstra, die ‘s morgens vroeg de Merskenreed langskwam met zijn blauwe kruikje koffie, veel werk aan het opschonen van het Alddjip.
Op de heide stond Struikheide, Kraaiheide, Stekelbrem, Pijpestrootje en Warkruid, en op de wat lagere, meer natte stukken Dopheide, Zonnedauw en Klokjesgentiaan. Ook op de open plaatsen langs de zandpaden stonden bloemen, zoals de mooie, geel bloeiende Brem, die in strenge winters vaak afvroor. In het nog half woeste, schrale stuk dat tegen ‘De Bos’ aan lag, groeide naast nog wat restanten heide, Wilde Goudsbloem, Moeraskartelblad, Vleugeltjesbloem en Gevlekte Orchis (Adam en Eva). Deze laatste kwam ook voor in het weiland. Op het akkerland vond je Melde, Kruiskruid, Perzikkruid, Hardbloem, Zwaluwtong en Nachtschade.
De heide die om de Dobbe groeide was veel lager en kleiner dan de heide op de hoger gelegen plaatsen. Ze kon slecht tegen het water. Deze kleine heide werd door hele gezinnen geplukt en meegenomen in een groot laken. Met het hele pakket op de rug gebonden liepen ze naar huis. Het waren vaak arme mensen zonder werk. Met het hele gezin maakten ze van deze heide boenders, die ze dan weer verkochten aan de boeren. Je kon er heel goed bussen en stalmuren mee schoonmaken.
De Mersken
Kin jim ‘t plakje yn de Mersken
Kin jim ‘t plakje heech en dreech
Ik bidoel it larkeboskje
Mei dêr by Turkenleech
Hwêr ‘t de Hôfdou en de Akster
En de Krikein nêsten ha
Hwer ‘t Ljurkje yn it loftrom
Sjongt as nearne hwer ek sa?
Kin jim ‘t plakje yn de Mersken
Hwer yn ‘t molle heeche sân
Kninen yn har hoalen wenje
Hwer’t in hazze fljucht oer ‘t lân
Hwer’t hwat heide stikum tsjûget
Fan in fier forline tiid
Hwer’t lân dêr njonken flûstert
Oer in fûl bifochten striid!
Fragment uit gedicht van Harm de Wilde